Übersetzung von „Reiz-“ aus dem Deutsch ins Niederländisch
betoverend, boeiend, fascinerend sind die besten Übersetzungen von „Reiz-” aus dem Deutsch ins Niederländisch.
-
betoverend
adjective particle -
boeiend
adjectiveBerufsberater sollten dafür geschult werden, den Reiz von Unternehmerkarrieren und die Herausforderungen, die damit verbunden sind, herauszustellen.
Beroepsadviseurs moeten getraind worden om de uitdagingen en boeiende kanten van een loopbaan in het bedrijfsleven enthousiast over te brengen.
-
fascinerend
adjectiveDiese Eingebungen und der Reiz des Verbotenen führten ihn auf einen Weg hinab, der faszinierend und interessant schien.
Die gedachten en de aantrekkingskracht van het verbodene leidden hem over een pad dat fascinerend aantrekkelijk scheen.
-
opwindend
adjectiveReiz meinen Angestellten nicht.
Je moet m'n man niet opwinden.
-
Algorithmisch generierte Übersetzungen anzeigen
Automatische Übersetzungen von " Reiz- " in Niederländisch
-
Glosbe Translate
-
Google Translate
Ausdrücke ähnlich wie "Reiz-“ mit Übersetzungen in Niederländisch
-
driftig · fel · geprikkeld · geïrriteerd · korzelig · kribbig · opvliegend
-
stimulus
-
aandrijven · aanlokken · aanporren · aansporen · aanstoken · aanvragen · aanvuren · aanwakkeren · agaceren · bekoren · bevallen · bieden · ergeren · intrigeren · irriteren · kwaad maken · lokken · op stang jagen · opbieden · ophitsen · opwekken · opwinden · opzetten · pesten · pijn doen aan de tanden of aan de zenuwen · plagen · prikkelen · rechtop zetten · sarren · stimuleren · tergen · uitlokken · verhitten · verontwaardigen · vertoornen · werken op · zwepen
-
aurora · morgenlicht · morgenrood
-
charme · sierlijkheid
-
aantrekkelijkheid · aantrekkingskracht · attractie · begunstiging · bekoorlijkheid · bekoring · bevalligheid · charme · genadigheid · gunst · jeu · lokkertje · lokmiddel · prikkel · prikkeling · sierlijkheid · stimulatie · stimulus
-
aanbiddelijk · aardig · beeldig · bekoorlijk · betoverend · bevallig · bot · charmant · elegant · gracieus · heerlijk · innemend · keurig · leuk · lief · liefelijk · mild · schattig · sierlijk · snoeperig · snoezig · stomp · verrukkelijk · voorkomend · vriendelijk · zacht · zachtaardig · zachtmoedig · zachtzinnig · zoel · zoet