Übersetzung von „empfangen“ aus dem Deutsch ins Niederländisch
ontvangen, krijgen, aannemen sind die besten Übersetzungen von „empfangen” aus dem Deutsch ins Niederländisch.
empfangen
verb
Grammatik
empfangen (schwanger werden) [..]
-
ontvangen
verb neuterhet verkrijgen van zaken zoals loon en berichten
Der Legende nach soll sein Schwert er von den Göttern selbst empfangen haben.
Volgens de legende ontving hij persoonlijk zijn zwaard van de goden.
-
krijgen
verbIch empfing eine klare Eingebung, wann ich mich taufen lassen sollte.
Ik kreeg ook een duidelijke indruk wanneer ik me zou laten dopen.
-
aannemen
verbIch bin zu den Meinen gekommen, und die Meinen haben mich nicht empfangen.
Ik kwam tot de mijnen, en de mijnen hebben Mij niet aangenomen.
-
Weniger häufige Übersetzungen
- accepteren
- aanvaarden
- genieten
- toucheren
- begroeten
- onthalen
- verkrijgen
- erkennen
- binnenkrijgen
- zwanger worden
- begrijpen
- gastvrij onthalen
- gastvrij ontvangen
-
Algorithmisch generierte Übersetzungen anzeigen
Automatische Übersetzungen von " empfangen " in Niederländisch
-
Glosbe Translate
-
Google Translate
Ausdrücke ähnlich wie "empfangen“ mit Übersetzungen in Niederländisch
-
Ontvangen bestanden
-
de ontvangst door de minister
-
aanneming · aanvaarding · acceptatie · auditorium · audiëntie · balie · begroeting · betrekking · binnengaan · entree · gehoor · hoorders · intrede · kennismaking · kwitantie · landing · luisteraars · luisterpubliek · nadering · omgang · onthaal · ontmoeting · ontvangen · ontvangkamer · ontvangst · ontvangzaal · receptie · receptiezaal · toegang · toehoorders · verband · verhouding · verkeer · verstandhouding · verwelkoming · welkom
-
ontvangen
-
ontvangen · overnemen
-
bevestigen
-
Ontvangen bestanden openen
-
aanbrengen · aandoen · aankleden · aannemen · aantrekken · aanvaarden · accepteren · bekleden · bepleisteren · binnenlaten · collecteren · doorstaan · genieten · goedvinden · het eens zijn · innen · inzamelen · kleden · krijgen · lijden · omkleden · ondergaan · ontvangen · oogsten · opbrengen · opleggen · overtrekken · pleisteren · plukken · rapen · staan · stukadoren · toegeven · toelaten · toestemmen · toucheren · uitstaan · velen · verdragen · verzamelen
Beispiel hinzufügen
Hinzufügen