Übersetzung von „Trage“ aus dem Deutsch ins Niederländisch

draagbaar, draagbed, draagstoel sind die besten Übersetzungen von „Trage” aus dem Deutsch ins Niederländisch.

Trage noun feminine Grammatik

(Rücken-) Tragekorb

+ Hinzufügen

Deutsch-Niederländisch Wörterbuch

  • draagbaar

    noun masculine

    Wir bauen eine Trage und ziehen ihn am Ufer entlang.

    We maken een draagbaar en slepen hem langs de oever.

  • draagbed

    noun neuter

    Er lag auf einer Trage, die von vier Männern gehalten werden musste.

    Er waren vier mannen nodig om hem op een draagbed te dragen.

  • draagstoel

    noun masculine

    Zwei Sänften wurden aus dem Haus getragen.

    Twee draagstoelen hebben het huis verlaten.

  • Weniger häufige Übersetzungen

    • brancard
    • baar
  • Algorithmisch generierte Übersetzungen anzeigen

Automatische Übersetzungen von " Trage " in Niederländisch

  • Glosbe

    Glosbe Translate
  • Google

    Google Translate

Übersetzungen mit alternativer Schreibweise

trage verb
+ Hinzufügen

"trage" im Wörterbuch Deutsch - Niederländisch

Momentan haben wir keine Übersetzungen für trage im Wörterbuch, vielleicht kannst du eine hinzufügen? Überprüfen Sie unbedingt die automatische Übersetzung, das Translation Memory oder die indirekten Übersetzungen.

Ausdrücke ähnlich wie "Trage“ mit Übersetzungen in Niederländisch

  • bezorgd zijn · zich bekommeren · zorg dragen · zorgen
  • het risico dragen · risico dragen
  • op de post doen · posten
  • etaleren · tentoonspreiden
  • aanbotsen · aandoen · aandraaien · aangeven · aanhebben · aanreiken · aansteken · aantrekken · afwerpen · baren · beer · brengen · doneren · doorbrengen · dragen · drijven · geduwd worden · geven · hebben · inschakelen · jagen · koesteren · met · opbrengen · opleveren · overdragen · rondlopen · schakelen · schenken · slijtage · te dragen zijn · toebrengen · toekennen · torsen · uitgaan · uitgerust · uitgerust zijn met · uitkomen · uitlopen · uitstappen · uitstijgen · uittreden · verdragen · verdrijven · verduren · verlenen · voeren · volhouden · voorhebben · zich stoten · zijn
  • hij draagt de naam van zijn moeder
  • vruchtdragend
  • bedriegen · misleiden
Hinzufügen

Übersetzungen von „Trage“ im Niederländisch im Kontext, Beispielsätzen und Translation Memory