Übersetzung von „trüb“ aus dem Deutsch ins Niederländisch
troebel, troebele, triest sind die besten Übersetzungen von „trüb” aus dem Deutsch ins Niederländisch.
trüb
adjective
Grammatik
z.B. Augen oder der Himmel [..]
-
troebel
adjectiveIm Trüben ist gut fischen.
In troebel water is het goed vissen.
-
troebele
Im Trüben ist gut fischen.
In troebel water is het goed vissen.
-
triest
adjectiveZich mentaal onconfortabel voelend als er iets mis of verkeerd is.
Hier stoßen wir auf ein trübes Kapitel.
Hier stuiten wij op een triest gegeven.
-
Weniger häufige Übersetzungen
- bewolkt
- schemerig
- somber
- verdrietig
- wazig
- betrokken
- treurig
- mistroostig
- sip
- droefgeestig
- mismoedig
- moedeloos
- neerslachtig
- rouwig
- teneergelagen
- terneergeslagen
- triestig
- bedroefd
- bedrukt
- depressief
- droef
- smartelijk
- droevig
- pijnlijk
- bleek
- lusteloos
-
Algorithmisch generierte Übersetzungen anzeigen
Automatische Übersetzungen von " trüb " in Niederländisch
-
Glosbe Translate
-
Google Translate
Bilder mit "trüb“
Ausdrücke ähnlich wie "trüb“ mit Übersetzungen in Niederländisch
-
sombere vooruitzichten
-
agiteren · benevelen · betrekken · dempen · dof worden · donker worden · dooreenhalen · ergeren · kwaad maken · ophitsen · opruien · opstoken · opwinden · schudden · slechter worden · storen · troebel worden · van zijn stuk brengen · verdonkeren · verduisteren · verslechteren · versomberen · verstoren · vertroebelen · verwarren · verwisselen
-
silt
-
verward · warrig
-
bedroefd · bedrukt · betrokken · bewolkt · bot · depressief · dof · donker · droef · droefgeestig · droevig · druilerig · duister · mat · melancholiek · miezerig · mismoedig · mistroostig · moedeloos · naargeestig · neerslachtig · onduidelijk · pijnlijk · rouwig · sip · smartelijk · somber · stomp · teneergelagen · terneergeslagen · treurig · triest · triestig · troebel · troosteloos · vaag · verdacht · verdrietig · vreugdeloos · wazig · weemoedig · zwaarmoedig
-
agiteren · benevelen · betrekken · dempen · dof worden · donker worden · dooreenhalen · ergeren · kwaad maken · ophitsen · opruien · opstoken · opwinden · schudden · slechter worden · storen · troebel worden · van zijn stuk brengen · verdonkeren · verduisteren · verslechteren · versomberen · verstoren · vertroebelen · verwarren · verwisselen
Beispiel hinzufügen
Hinzufügen